JCWeetje

Historische JCWeetjesWist-Je-DatjesRuimtekidsTechniek & WetenschapCultuurkriebelsKiddoeVariaarchief

Klatergoud

We vertelden verleden jaar over de geleerde en magiër John Dee. Die leefde in de zestiende eeuw in Engeland. Weet je nog dat hij ervan overtuigd was dat koning Arthur de Noordpool veroverde? Daarmee wilde John Dee bewijzen dat de Engelsen de baas waren in het noorden. Daar moest ergens een doorgang zijn naar de Grote of Stille Oceaan: een rivier door het smalste stuk van Noord-Amerika.

Nu moesten de handelsschepen helemaal naar het zuiden en dan rond het hele Amerikaanse continent varen om in de Stille Oceaan te geraken. Maar als ze die doorgang in het noorden vonden dan was dat veel dichter bij Engeland. De Engelsen konden dan gemakkelijker handeldrijven met China en andere oosterse landen. Dat zou hun een heleboel tijd en geld besparen!

Officieel heette die geheimzinnige rivier de Noordwestelijke Doorvaart. De Engelsen konden die nooit vinden want ze lag onder het ijs, maar koppig als ze waren bleven ze ernaar zoeken.

Richting Noordpool varen was toen zeer gevaarlijk. Vele schepen bleven steken in het ijs en de bemanning kwam om het leven. Van dit schip zien we enkel nog de mast en het achterkasteel (detail van een schilderij van Caspar David Friedrich uit 1823).

Martin Frobisher was een doorwinterde zeeman en wilde het ook eens proberen. Samen met zijn vriend Michael Lok richtte Frobisher de Company of Kathai op. China werd toen Kathai genoemd. Ze haalden er de geleerde John Dee bij omdat die alles wist over het gebruik van de nieuwste navigatie-instrumenten. En ondertussen kon hij ook eens in de sterren kijken of de reis gunstig zou verlopen.

Martin Frobisher ziet er heel stoer uit met zijn pistool in de hand. Dit portret werd geschilderd door Cornelis Ketel in 1577.

 

Martin Frobisher ondernam drie reizen tussen 1576 en 1578. De eerste expeditie eindigde op de kust van het huidige Baffineiland in Canada. De plek waar hij aan land ging heet nu nog Frobisher Bay. De bewoners van dat noordelijke land waren Inuit. De Engelsen vonden dat ze heel goed op Chinezen leken. Dat was voor hun het bewijs dat de Westelijke Doorvaart daar in de buurt moest zijn. Hoe waren die Chinezen er anders gekomen?

Of ze dat nu leuk vonden of niet weten we niet maar Frobisher nam enkele Inuit mee naar Engeland. Ze werden in Londen tentoongesteld als een bezienswaardigheid. Jammer genoeg overleden deze mensen enkele maanden na hun aankomst.

Een tekening van een Inuit die Frobisher meebracht naar Engeland. Deze man heette Kalicho (John White, 1577).

 

Maar Frobisher bracht ook enkele klompjes mee met een erts dat een gouden glans had. Hij gaf er eentje cadeau aan zijn vriend Michael Lok. Toen die ermee thuiskwam gooide zijn vrouw het klompje in de haard omdat ze het een waardeloos stuk steen vond. Maar na een tijdje branden veranderde het in een gouden staafje! Was dit werkelijk goud? ’s Anderendaags trok Michael Lok ermee naar een goudsmid maar die stuurde hem wandelen. “Ik weet niet wat het precies is,” zei de man “maar dit is geen goud.”

De Engelse regering kreeg het verhaal van Frobishers vreemde ontdekking ook te horen en dus werden ze nieuwsgierig. Stel je voor dat het echt goud was en dat het in Canada voor het oprapen lag. Dan zou Engeland de rijkste natie van de wereld worden! Edward Dyer, een van de geleerden die aan het hof verbleef, kreeg van de Engelse regering de opdracht om ook een test te doen. Dyer was een goede vriend van John Dee en had van hem veel geleerd over alchemie. Hij deed enkel testen en ook Dyer had de grote twijfels.

Maar Michael Lok gaf het niet op en nam Giovanni Battista Agnello in de arm, een Italiaanse alchemist die in Londen woonde. Na drie dagen toonde Agnello met een brede glimlach aan Lok het goudpoeder dat hij uit het erts haalde. “Je moet weten hoe je de natuur kan overhalen” voegde hij erbij. Toen ging het allemaal heel snel. Michael Lok schreef rechtstreeks naar koningin Elizabeth en voegde er maar liefst zes attesten van Agnello bij. Lok verzekerde de koningin dat Frobisher een goudmijn ontdekt had. Er moesten direct nieuwe expedities naar Canada vertrekken om zoveel mogelijk van het erts naar Engeland te halen. Giovanni Battista Agnello zou het omsmelten voor zijn rekening nemen.  

Een alchemist haalt een goudklompje uit het vuur. Het had Giovanni Battista Agnello kunnen zijn (schilderij van Jan Mateyko, 1867).

 

Ondertussen was de goudvondst een publiek geheim geworden, vooral dankzij de loslippigheid van Agnello. Kapitein Martin Frobisher werd gevierd als een volksheld. Dit was de ontdekking van de eeuw! Je kon een aandeel kopen in de Company of Kathai en dat deden vele mensen. Ondanks het negatieve advies van zijn vriend Edward Dyer was John Dee een van de investeerders. Natuurlijk was de kans om in Amerika goud te vinden reëel. Spanje werd er met de dag rijker van. Dus waarom geen gokje wagen?

Direct vertrokken er twee nieuwe expedities naar het geheimzinnige goudland.  

De schepen van Frobisher kwamen terug, barstensvol met het kostbare erts. Er werd ongeveer duizend vierhonderd ton van het goedje ingevoerd.

Maar ondertussen was het erts nog wat grondiger onderzocht en nu stond absoluut vast dat het om waardeloos ijzerpyriet ging. Dat wordt ook klatergoud genoemd. Het is een mineraal dat ijzer- en zwavelerts bevat en dat geeft het zijn gouden glans.

Dit is ijzerpyriet. Het is begrijpelijk dat leken als Frobisher en Lok dachten dat ze goud in handen hadden.

 

Het avontuur van de Company of Kathai liep met een sisser af en de investeerders waren hun geld kwijt. Michael Lok bleef geruïneerd achter en zat zelfs een tijd in de gevangenis wegens schulden. De alchemist Giovanni Battista Agnello kon de dans ontspringen.

Martin Frobisher had zelfs nog meer geluk. Hij werd in 1588 aangesteld als een van de commandanten tijdens de zeeslag tegen de Spaanse vloot, de Armada. Spanje was de aartsvijand van Engeland. De Engelsen wonnen de zeeslag en Frobisher werd door de koningin tot ridder geslagen. Daarna bracht hij zijn tijd door met het kapen van Spaanse schepen. 

De zeeslag tussen de Engelse vloot en de Spaanse ‘Onoverwinnelijke Armada’, die toch niet zo onoverwinnelijk bleek te zijn … (schilderij van Philip James de Loutherbourg, 1796). 

door Lode Melis